‘In de duistere wateren van het noorden was eens een vis en zijn naam van Kun. Die Kun had een omvang van ik weet niet hoeveel duizend mijl, zo groot was hij! Hij veranderde en werd een vogel genaamd Peng. En die Peng had ook een omvang van ik weet niet hoeveel duizend mijl, zo groot was zijn rug. Met grote kracht sloeg hij zijn wieken uit. Zijn vleugels waren als wolken die de hemel bedekten. Wat een vogel! Met hoge zee zette hij koers naar de duistere wateren van het zuiden. Die zuidelijke zeeen zijn het Hemelse Meer. Toen Peng wegvloog naar de duistere wateren van het zuiden, sloeg hij met zijn vleugels op het water over een afstand van drieduizend mijl. Daarna rees hij op als een wervelwind tot een hoogte van negentigzuidend mijl en vertrok met de storm die blaast gedurende de zesde maand van het jaar. Eerst lijkt hij nog een wild paard, dan een nietig stofje – zo worden wezens in de storm door elkaar geblazen. En dan de blauwe hemel: is dat eigenlijk wel zijn echte kleur? Is de verte waarnaar wij staan te turen eigenlijk zonder einde? Als die vogel naar beneden kijkt, ziet hij ons vast ook zo. ‘

De majestueuze machtige vogel Peng. Te zien is hoeveel moeite hij moet doen om ‘op de wieken’ te kunnen komen. En hoeveel ruimte hij nodig heeft. En hoeveel energie hij er in moet steken om te kunnen blijven waar hij is. En nog sterker: dat ook hij iets nodig heeft om te kunnen blijven vliegen: lucht. In de chinese symboliek staat lucht voor qi. Bij ons beter bekend als çhi’ of ‘ki’. Dus zelfs de grote machtige Peng is niet onafhankelijk. Ook zijn brede vlucht en wijde blik is ergens van afhankelijk: de wind. Is hij uiteindelijk beter af dan een krekel of een kip die maar een paar meter kunnen vliegen? Zhuangzi noemt dit: ‘de gelijkheid der dingen.’ Soms LIJKEN dingen, posities wel geweldig en aantrekkelijk, maar wie weet hoe het met een popster, een rijke, een bekende filmster is als de schijnwerpers gedoofd zijn?