Aard

egg ff

‘De heerser van de Zuidzee heette Overijld, de heerser van de Noordelijke Zee heette Roekeloos en de heerser van het Midden heette Hundun. Overijld en Roekeloos troffen elkaar soms in het gebied van Hundun in de vorm van een ei, door wie ze bijzonder goed werden ontvangen. Overijld en Roekeloos namen zich voor iets voor Hundun terug te doen en zeiden: Bijna elk wezen heeft openingen: om te zien, te horen, te eten en te ademen. Alleen hij heeft er geen. Laten we hem helpen en proberen ze bij hem ook te boren.’ Iedere dag boorden ze 1 opening. En op de zevende dag stierf Hundun’

Dit verhaal gaat over misschien wel het belangrijkste uitgangspunt van de Tao: ‘niet ingrijpen’, ‘Wu wei’. ‘Niet ingrijpen’ betekent in de Tao niet niets doen, maar niet ingrijpen in de aard of de natuur van van iets of iemand. Overijld en Roekeloos bedoelden het goed, maar ze konden niet het geduld opbrengen om te wachten tot uit Hundun vanzelf iets zou ontstaan. Ze grepen van buiten in en respecteerden de eigen aard van Hundun niet.

Maar ook: de oude Chinezen waren zich heel erg bewust van het feit dat er via onze zintuigen van alles in ons binnendringt. Daarom heetten de twee ook ‘Overijld’ en ‘Roekeloos.’ Zintuigen maken begerig, onrustig, jagen op. Overijld en Roekeloos dachten: Ei moet ook zo zijn. Net als wij. Dan ben je pas gelukkig. En vergaten daarbij, met al hun goede wil, dat Ei anders was en van binnen leefde. En dat er misschien, als de tijd rijp was, iets uit zou komen. Als hij met rust gelaten zou worden en zijn eigen tempo had kunnen volgen.

Rijk

 

‘In de duistere wateren van het noorden was eens een vis en zijn naam van Kun. Die Kun had een omvang van ik weet niet hoeveel duizend mijl, zo groot was hij! Hij veranderde en werd een vogel genaamd Peng. En die Peng had ook een omvang van ik weet niet hoeveel duizend mijl, zo groot was zijn rug. Met grote kracht sloeg hij zijn wieken uit. Zijn vleugels waren als wolken die de hemel bedekten. Wat een vogel! Met hoge zee zette hij koers naar de duistere wateren van het zuiden. Die zuidelijke zeeen zijn het Hemelse Meer. Toen Peng wegvloog naar de duistere wateren van het zuiden, sloeg hij met zijn vleugels op het water over een afstand van drieduizend mijl. Daarna rees hij op als een wervelwind tot een hoogte van negentigzuidend mijl en vertrok met de storm die blaast gedurende de zesde maand van het jaar. Eerst lijkt hij nog een wild paard, dan een nietig stofje – zo worden wezens in de storm door elkaar geblazen. En dan de blauwe hemel: is dat eigenlijk wel zijn echte kleur? Is de verte waarnaar wij staan te turen eigenlijk zonder einde? Als die vogel naar beneden kijkt, ziet hij ons vast ook zo. ‘

De majestueuze machtige vogel Peng. Te zien is hoeveel moeite hij moet doen om ‘op de wieken’ te kunnen komen. En hoeveel ruimte hij nodig heeft. En hoeveel energie hij er in moet steken om te kunnen blijven waar hij is. En nog sterker: dat ook hij iets nodig heeft om te kunnen blijven vliegen: lucht. In de chinese symboliek staat lucht voor qi. Bij ons beter bekend als çhi’ of ‘ki’. Dus zelfs de grote machtige Peng is niet onafhankelijk. Ook zijn brede vlucht en wijde blik is ergens van afhankelijk: de wind. Is hij uiteindelijk beter af dan een krekel of een kip die maar een paar meter kunnen vliegen? Zhuangzi noemt dit: ‘de gelijkheid der dingen.’ Soms LIJKEN dingen, posities wel geweldig en aantrekkelijk, maar wie weet hoe het met een popster, een rijke, een bekende filmster is als de schijnwerpers gedoofd zijn?

Vallen

De meeste mensen hebben wel eens gehoord van het verhaal van Icarus. Een jonge griekse man die zijn vader de kop gek zeurt omdat hij wil vliegen. Zijn vader, Deadalus, een wijze man, wil dat niet. Hij ziet dan zijn zoon nog te onbesuisd is en te weinig levenservaring heeft voor het toch gevaarlijke vliegen. Maar uiteindelijk gaat hij toch overstag en staat het toe. Hij maant zijn zoon: ‘Jongen kijk uit, ga niet hard, vlieg niet te snel, je kent de krachten van het vliegen nog niet en beheerst ze nog niet.’  Je voelt hem aan aankomen: de knaap begint aarzelend, maar als het goed lijkt te gaan, gooit hij alle remmen los. Hoger dan hoog gaat hij. Tot hij te dicht bij de zon komt, zijn vaart niet meer kan inhouden en de zon het was van de vleugels die hij aangeplakt heeft laat smelten. Waarna Icarus in zee stort.

In de Dao wordt voor precies hetzelfde gewaarschuwd. De yin-en-yang theorie zegt oa: aan alles is een grens. Als iets teveel yang wordt, teveel energie kracht en snelheid krijgt – als iets te groot wordt, is het zeker dat er vroeg of laat een kritische grens bereikt wordt, die voor een plotselinge terugslag zorgt. Je hebt als mens de keus: of zelf, harmonieus, op tijd een ombuiging maken – of doorgaan. Maar dan zal de terugslag ook met een ramp, een crisis gepaard gaan.